Hoofdstuk 6 – Film oefenvideo’s

Chemisch rekenen

Oefenivideo's youtube

Molecuulmassa

  1. Wat is de massa van een methaanmolecuul  CH4?l
  2. Bereken de molecuulmassa van butaan: C4H10
  3. Wat is de molecuulmassa van NH3?

Massaprocent

  1. Wat is het m% magnesium (Mg) in magnesiumfosfide (Mg3P2)?
  2. Je lost 300 g suiker op in 1 liter water. Wat is het suikergehalte van die oplossing?
  3. Een molecuul met een M= 44,09 u bestaat uit 81,71 massa% uit koolstof en 18,29 massa% uit waterstof. Wat is de molecuulformule?
  4. Een alkaan met formule CnH2n+2 bestaat uit 84,28 massa% uit C. Om welk alkaan gaat het hier?
  5. Bereken het massa% C in CH4.
  6. Een molecuul met een M= 44,09 u bestaat uit 81,7 massa% uit koolstof en 18,29 massa% uit waterstof. Wat is de molecuulformule?
  7. Een alkaan met formule CnH2n+2 bestaat uit 84,28 massa% uit C. Om welk alkaan gaat het hier?

 

Rekenen met mol en gram

  1. Reken om:
  1. Hoeveel gram is 2 mol water?
  2. Hoeveel mol is 2 gram water?
  3. Bereken de massa van 0,82 mol kinine (C20H24O2N2)
  4. Hoeveel gram van elk ion is er aanwezig in 10 g keukenzout
  5. Reken om naar mol of gram
  1. Je lost 1,4 g Na2S op in 250 ml water. Hoeveel mol Na+ en S2- is er dan in de oplossing?

Concentraties in g/l

  1. Je lost 300 g suiker op in 1 liter water. Wat is de suikerconcentratie in g/l
  2. Wat is de concentratie in g/l als je 20 gram zout oplost in 5 liter?
  3. Bart bereidt een kwik(II)nitraatoplossing van 375 ml met [NO3] = 0,15 mol/l. Bereken hoeveel g kwik(II)nitraat hij hiervoor moet oplossen.

Verdunnen

  1. Op een Ranja-fles staat dat je 1 deel Ranja moet verdunnen met 4 delen water.
  1. Maak 1 liter NaCl –oplossing met concentratie 0,1 mol/l. Hoeveel gram NaCl is nodig?
  2. Maak 1 l NaCl-oplossing met concentratie 0,1 mol/l op basis van een stockoplossing met concentratie 5 mol/l

Molair gasvolume

  1. Hoeveel liter is 5 mol waterstofgas bij 273 K en 101,3 kPa?
  2. Hoeveel mol is 30 liter zuurstofgas bij 273K en 101,3 kPa?
  3. Waterstofgas reageert met zuurstofgas tot water. Hoeveel liter waterstofgas en zuurstofgas heb je nodig om 54 gram water te vormen?
  4. Hoeveel liter waterstofgas heb je nodig om 5 liter ammoniak uit waterstofgas en stikstofgas te maken?
  5. Bereken het volume in l van 4,52 mol He(g) onder standaardomstandigheden

Molariteit

  1. Wat is de molariteit van een oplossing van 1 mol HCl in 5 liter water?
  2. Tante Mathilde lost 5,00 gram aluminiumnitraat op in 0,25 l. Bereken [Al3+(aq)] en [NO3(aq)]
  3. Piet lost 6,42 g CaCl2 op in 1,50 l water. Bereken [Cl]
  4. Henk lost 5,42 g ZnI2 op in 3,22 l water. Bereken [Zn2+] en [I]
  5. Evelien lost 5,63 mg K2SO4 op in 2,41 l. Bereken [SO42-]
  6. Karin wil 5,35 l Na3PO4 oplossing bereiden met [Na+] = 0,50 mol/l. Hoeveel g Na3PO4 moet zij daarvoor afwegen?
  7. Brent voegt aan 250,0 ml 0,10 mol/l Ba(OH)2 nog 0,65 g NaOH toe dat oplost. Bereken [OH] van de verkregen oplossing. Ga er vanuit dat het totaal volume 250,0 ml blijft.
  8. Mineraalwater moet volgens de Engelse warenwet ten minste 60 mg calciumionen per liter bevatten. Daarom had de fabrikant per liter gezuiverd kraanwater 0,20 g calciumchloride toegevoegd. Ga met behulp van een berekening na dat het zo verkregen water voldoet aan de norm van de Engelse warenwet.
  9. In een bekerglas wordt 27,75 gram calciumchloride opgelost tot 500 ml oplossing
    1. Bereken de concentratie CaCl2
    2. Bereken de molariteit van de beide ionen
  1. Bereken de molariteit (in mol/l) van
  2. 5,35 mol C6H12O6 in 4,52 l
  3. 5,35 g C6H12O6 in 4,52 l
  4. Thijs lost 3,41 kg C12H22O11 op tot een volume van V=1,12 m³. Bereken [C12H22O11] van de ontstane oplossing.
  5. Cor wil 3,8 l 0,27 mol/l methanol bereiden. Hoeveel g CH3OH heeft hij hiervoor nodig?
  6. Nick wil een oplossing bereiden van 0,42 mol/l NaCl. Hoeveel m³ NaCl-oplossing kan hij maken met 100 kg NaCl.
  7. In een hoeveelheid slootwater bevindt zich 5,36 µg Cd2+ per 500 ml. Bereken [Cd2+]
  8. Bereken de molariteit van een glucose-oplossing als er 1,23 mol glucose is opgelost in 64,3 l
  9. Bereken de molariteit van een glucose-oplossing als er 4,25 ml glucose is opgelost in 0,14 m³
  10. Ome Willem lost 5,43 mg H2S op in 1234,56 ml water. Bereken [H2S]
  11. Je wil 0,65 l magnesiumchloride oplossing maken waarin [Cl] 0,15 mol/l is. Hoeveel gram magnesiumchloride moet je dan oplossen?

Mol en aantal deeltjes

  1. Welk monster bevat het meeste atomen:

 

Stoechiometrie met toepassing van gaswetten

  1. De explosie van trinitroglycerine kan vereenvoudigd worden voorgesteld door: 2 C3H5(NO3)3 –> 5 H2O + 5 CO + CO2 + 6 NO  Welk volume gas zal er bij ontploffing van 100,0 kg TNG bij atmosfeerdruk worden vrijgesteld worden als men aanneemt dat de temperatuur stijgt tot 950°C.

 

Rekenen aan reacties

  1. Bereken hoeveel g C2H4 er vrijkomt bij de ontleding van 1,0 kg C3H8.  C3H8  –> C2H4 + CH4
  2. Bereken hoeveel kg CH3COOH er ontstaat bij de vormingsreactie wanneer we 50 kg CH3OH gebruiken. CH3OH + CO –> CH3COOH
  3. We verbranden 75 ml ethanol volledig. Geef de reactievergelijking. Bereken hoeveel dm³ zuurstof er nodig is voor deze verbranding
  4. Friso verbrandt 10,00g ethanol volledig volgens:C2H6O + 3 O2 –> 2 CO2 + 3 H2O .Bereken hoeveel gram CO2 hierbij vrijkomt. Rekenen met mol in reactievergelijking
  5. Franka ontleedt 3,42 g ijzer(III)chloride in ijzer en chloor. Bereken hoeveel g chloor hierbij maximaal vrij kan komen. 2 FeCl–> 2 Fe + 3 Cl2
  6. Matylda en Sahra demonstreren de verbranding van witte fosfor volgens: P4 + 5 O2 –> 2 P2O5. Ze nemen hiervoor 2,13 g witte fosfor.
  1. Christine ontleedt 15,3 g zilverchloride volgens: 2 AgCl –> 2 Ag + Cl Bereken het aantal g dichloor dat hierbij vrijkomt.
  2. Een auto verbrandt 30,0 l benzine (met formule C8H18) volgens : 2 C8H18 + 25 O2  –> 16 CO2 + 18 H2 De dichtheid van benzine bedraagt 0,72 kg/l. Bereken hoeveel kg CO2 hierbij vrijkomt.
  3. Gerben verbrandt 15,00 g propaan volgens C3H8 + 5 O2 –> 3 CO2 + 4 H2      Bereken hoeveel l lucht hiervoor minstens nodig is. Ga er van uit dat: Lucht bevat 21,0 vol% zuurstof. De dichtheid van zuurstofgas bedraagt 1,43 kg/m³
  4. Rixt onderzoekt de samenstelling van een argon-methaan gasmengsel. Ze neemt 15,00 l gasmengsel en verbrandt dit. Alleen het methaan verbrandt volledig, het argon kan niet verbranden want het is een edelgas. Na afloop van het experiment heeft ze 21,45 gram water opgevangen. Bereken het vol% methaan in het onderzochte gasmengsel. Neem voor de dichtheid van methaan 0,72 kg/m³
  5. Bismut is een wit, broos metaal met een roze gloed. Bismuth wordt gewonnen uit een erts met als hoofdbestanddeel bismutglans, Bi2S3. Voor de productie van bismut wordt bismutglans met zuurstof eerst omgezet tot bismutoxide (Bi2O3). Hierbij ontstaat ook zwaveldioxide. Het bismut wordt vervolgens verkregen door bismutoxide te laten reageren met cokes. Bi2O3 + 3 C –> 2 Bi + 3 CO. Per jaar wordt wereldwijd 5,0 103 ton bismut geproduceerd. De reactie van bismutglans tot bismutoxide is: 2 Bi2S3 + 9 O2  –> 2 Bi2O3 + 6 SO2.Bereken hoeveel ton bismutglans nodig is om 5,0103 ton bismut te produceren.

Rekenen met overmaat

  1. We laten 10,0 g magnesium met 6,2 g zuurstofgas reageren. Er ontstaat MgO. Welke stof is in overmaat en hoeveel blijft over? Hoeveel g MgO ontstaat er? Rekenen met overmaat
  2. We laten 125 mg zilver met 45 mg dichloor reageren. Er ontstaat AgCl, hoeveel?
  3. Hoeveel FeS wordt bekomen als 100 g Fe en 100 g S worden samengebracht?
  4. Hoeveel CaCl2 wordt gevormd als onder normaal omstandigheden 40 g CaCO3(v) met 14 l HCl(g) worden samengebracht? CaCO3(v) + 2 HCl(g) –> CaCl2(v) + H2O(l) + CO2(g)

 

Reacties met mol

  1. Laat zien dat bij de omzetting van 2,0 g koper(II)oxide 1,6 g koper ontstaat 4 CuO + CH4 –> 4 Cu + CO2 + 2H2O
  2. Laat zien dat bij de omzetting van 2,0 g koper(II)oxide 1,6 g koper ontstaat 4 CuO + CH4 –> 4 Cu + CO2 + 2H2O Hoeveel dm³ methaan heeft gereageerd onder n.o.?
  3. Je lost 6,2 g koper(II)nitraat op in 250 ml water. Hoeveel mol Cu2+ en NO3is er dan in de oplossing?
  4. Je lost 6,2 g koper(II)nitraat op in 250 ml water. Je lost 1,4 g Na2S op in 250 ml water. Je voegt beide oplossingen bij elkaar. Hoeveel mol CuS ontstaat er en hoeveel mol Cu2+ is in de oplossing?
  5. Keukenzout kan men bereiden door natrium-metaal bij chloorgas te voegen. Meestal is toevoeging van een beetje water noodzakelijk om de reactie op gang te krijgen. Ik wil 30 gram keukenzout maken op deze manier. Welke massa natrium heb ik daarvoor nodig?
  6. Keukenzout kan men bereiden door natriummetaal bij chloorgas te voegen. Meestal is toevoeging van een beetje water noodzakelijk om de reactie op gang te krijgen.
    Ik wil 30 gram keukenzout maken op deze manier. Welk volume chloorgas heb ik daarvoor nodig bij n.o.?
  7. Bij de jodide-klokreactie voegt men kaliumjodaat bij natriumwaterstofsulfiet en zwavelzuur. Deze stoffen reageren tot kaliumjodide en natriumwaterstofsulfaat. Het is de start van een reactie die twee keer van kleur verandert na een bepaalde tijd, vandaar de naam klokreactie.
    Hoeveel gram kaliumjodide kan men produceren op basis van 10 gram natriumwaterstofsulfiet en een overmaat kaliumjodaat? KIO3 + 3 NaHSO3 –> KI + 3 NaHSO4

Volumeprocent

  1. Een gasmengsel van 3,23 l bevat 1,23 l O2. Bereken het volumepercentage O2
  2. Een gasmengsel van fluor en methaan bevat 1,45l fluor en 340 cm³ methaan. Bereken het vol% methaan.

ppm

  1. Een gasmengsel van 3,23 l bevat 5,43 µl O2. Bereken het volume-ppm O2
  2. Bereken het vol-ppm N2 als er 0,0324 ml stikstof aanwezig is in een gasmengsel van 8,73 l
  3. In 2,63 kg slootwater bevindt zich 6,53 mg lood(ionen). Bereken het massa-ppm Pb in het slootwater.
  4. In een hoeveelheid lucht bevindt zich 3,2 mg H2S (g) per m³. De dichtheid van de lucht bedraagt 1,293 kg/m³. Bereken het massa ppm H2
  5. In slootwater bevindt zich [Cu2+] = 4,42 10-5 mol/l. Bereken het massa-ppm Cu2+. Dichtheid van het slootwater is 1,04 kg/l

ppb

  1. Een gasmengsel van 1,23 m³ bevat 2,75 µl O2. Bereken het volume-ppb O2
  2. Een forel van 345 gram bevat 0,465 massa ppb cadmium. Bereken de massa Cd in de forel, uitgedrukt in µg.
  3. Bereken het vol ppb Cl2 wanneer 0,453 ml Cl2 aanwezig is in 1,53 m³ lucht.
  4. Bereken het massa ppb Cl2 wanneer 0,453 ml Cl2 aanwezig is in 1,53 m³ lucht.
  5. In een gas bevindt zich 536 vol ppb Xe. Bereken [Xe]. Neem aan dat 1,00 mol gas een volume van 22,4 l heeft.

Rekenen met hydraten

  1. In een bekerglas wordt 15 gram kopersulfaat verhit tot wit kopersulfaat. Geef de vergelijking van de reactie. Reken de 15 g blauw kopersulfaat om naar mol. Bereken hoeveel gram water er ontstaat bij het verhitten. Bereken hoeveel wit kopersulfaat er overblijft
  2. Jitske wil x bepalen in het hydraat K4Fe(CN)6.xH2 Daartoe neemt ze 18,43 g K4Fe(CN)6.xH20 en verwarmt dit tot de massa van de stof niet meer afneemt. Zij weet dan dat alle water uit het hydraat is ontsnapt. Na afloop weegt zij de vaste stof. Die blijkt 16,07 gram te zijn. Ze kan nu x berekenen. Bereken x.

Rendement

  1. Bereken het rendement als uit 1 g K door reactie met water 0,4 g KOH wordt bekomen. K + H2O –> H2 + KOH
  2. Men beschouwt de reactie: 2 SO2 + O2 –> 2SO3  Men start met 100 gram SO2. Na de reactie vindt men 85,4 gram SO3. Bereken het rendement.

 

 

Oefenivideo's olympiades, ingangsexamen....
  1. Een ernstig magnesiumtekort kan bij volwassenen worden behandeld door dagelijkse intraveneuze toediening van 2,4 g MgSO4 in 1,00 L van een glucose-oplossing. Hoeveel mmol Mg2+ wordt op die manier dagelijks toegediend?

       2. De samenstelling van een oplossing wordt in volgende tabel weergegeven: 

Ionsoort

Na+

Mg2+

Al3+

NO3

Cl

Hoeveelheid (mol)

0,40

0,10

0,20

0,30

?

 Wat is de hoeveelheid chloride-ionen in deze oplossing?

 

3. Welk volume O2 (g), gemeten bij 273 K en 1,01.105 Pa, is er nodig voor de volledige verbranding van 29 g butaangas?

4. Een oplossing van waterstofperoxide (H2O2) kan gebruikt worden als ontsmettingsmiddel.

Het waterstofperoxide wordt in zuur midden door permanganaationen geoxideerd volgens de reactievergelijking

2 MnO4(aq) + 5 H2O2 (aq) + 6 H+ (aq)   –>  2 Mn2+(aq) + 5 O2 (g) + 8 H2O (l)

35,0 mL van een aangezuurde KMnO4-oplossing met concentratie 0,100 mol.L-1 zijn nodig om al het waterstofperoxide te laten wegreageren in 50,0 mL ontsmettingsmiddel. Wat is de concentratie van waterstofperoxide in dit ontsmettingsmiddel?

5. Gegeven is volgende evenwichtsvergelijking:

SO2 (g) + NO2 (g)    ⇌     SO3 (g) + NO (g)                         met Kc = 3,0 bij 450 °C

 Welke hoeveelheid SO2 (g) moet toegevoegd worden aan 6,0 mol NO2 (g) om in het evenwichtsmengsel bij 450 °C 3,0 mol NO (g) te bekomen? 

6. 5,0.10-4 mol van een metaalchloride wordt opgelost in water. Er is 60 mL van een 2,5.10-2 mol.L-1 zilvernitraatoplossing nodig om alle chloride- ionen neer te slaan onder de vorm van zilverchloride. Wat is de formule van het metaalchloride waarin M het symbool van het metaal voorstelt?

7. Een koolwaterstof met een normaal kookpunt van 174 °C heeft bij 227 °C en 1000 hPa een dichtheid van 3,42 g.L-1. Hoeveel bedraagt de molaire massa van deze stof?

8. Men voegt 1,00 mol HCl toe aan 1,00 mol Al2O3 waardoor AlCl3 en water worden gevormd. Welke hoeveelheid Al2O3 blijft over na deze reactie?

9. Aan gelijke massa’s van de hierna gegeven stoffen wordt telkens een HCl- oplossing in overmaat toegevoegd. Met welke stof wordt het grootste aantal mol CO2 gevormd?

 

10. Een leeg reactievat met een constant volume van 1,0 L wordt gevuld met 1,0 mol SO3 (g) en hierna afgesloten.

Bij een bepaalde temperatuur T stelt zich in de gasfase volgend evenwicht in:

2 SO3 (g)              ⇌     2 SO2 (g) +  O2 (g) .

Bij dat evenwicht bedraagt de hoeveelheid zuurstofgas een vierde van de oorspronkelijke hoeveelheid zwaveltrioxide. Wat is de waarde van de evenwichtsconstante Kc voor dit evenwicht bij temperatuur T? 

<A>

0,40

<B>

0,35

<C>

0,25

<D>

0,20

11. 120 g van een bepaald gas neemt bij 27°C en 1000 hPa een volume in van 75,0 L. Welk gas is dit?

12. In onderstaande tabel worden voor vier experimenten (I,II,III en IV) de beginhoeveelheden (n0) van Fe en het beginvolume (v0) van een HCl- oplossing met c=6,0 mol.L-1 weergegeven voor de reactie:

Fe(s) + 2 HCl(aq–> FeCl2(aq) + H2(g)

In welke experiment, waarbij Fe en een HCl-oplossing worden samengevoegd, wordt de grootste hoeveelheid (mol) H2 gevormd?

 

13. 42,0 g natriumwaterstofcarbonaat werd door verhitting volledig ontbonden tot een constante massa van 26,5 g. Welke reactievergelijking is correct voor deze ontbinding?

 

14. Onderstaande grafiek geeft bij een bepaalde temperatuur voor KI-oplossingen het verband weer tussen het massaprocent (m%) KI en de dichtheid (ρ) van de oplossing.

 

Welke massa KI is opgelost in 500 mL van een 15,0 massaprocent KI-oplossing?

 

15. Aan 20 L van een verzadigde MgCO3-oplossing wordt bij 25°C een overmaat HCl-oplossing toegevoegd. Er ontstaat 1,6.10-3 mol CO2. Wat was de beginconcentratie van MgCO3 in de verzadigde oplossing?

 

16. Voor de bereiding van tetrafosfor wordt een mengsel van fosfaaterts, zand en cokes verwarmd tot 1500°C. De reactievergelijking voor deze bereiding is de volgende:

2 Ca3(PO4)2 + 6 SiO2 + 10 C –> 6 CaSiO3 + 10 CO + P4

Welke hoeveelheid tetrafosfor kan maximaal worden bereid als het reactiemengsel oorspronkelijk uit 1,0 mol van elk reagens bestond?

17. Men brengt 1,0 mol Cu in 200 mL H2SO4-oplossing met c = 6,0 mol L-1. Door verwarming van dit mengsel wordt er SO2-gas gevormd volgens de aflopende reactie:

                       Cu (s) + 2 H2SO4 (aq) –> CuSO4(aq) + SO2 (g) + 2 H2O (I)

Welke hoeveelheden SO2 wordt er gevormd?

 

19.De meest gangbare wetenschappelijke naam voor lachgas is distikstofmonoxide. Van welke stof bevat de gegeven massa evenveel moleculen als 22 g lachgas?

Eigen oefenvideo's
  1. Een massa van 1.32 g HgO wordt door thermolyse omgezet in kwik en dizuurstof.

    Bereken:

                -de massa kwik die hierbij ontstaat

                -het volume dizuurstof dat vrijkomt (bij normale omstandigheden

  2. Men brengt 2.43 g magnesium in 0.250 liter van een 1.00 mol/l HCl oplossing. De optredende reactie kan als volgt worden weergegeven:

                Mg + 2 HCl  –>  MgCl2  +  H2

    -Welk volume H2-gas (n.o.) wordt tijdens de reactie gevormd?

    -Wat is de concentratie van de MgCl2-oplossing aan het einde van de reactie?

    -Ga na of er een overmaat is van één van beide reagentia.

    1. Welke massa ijzer kan hier maximaal worden gevormd?

      Bereken de procentuele opbrengst.

      Welk reagens en welke stofhoeveelheid ervan is er in overmaat?

       

  3. Ijzer kan worden verkregen door het erts hematiet Fe2O3 te verhitten met cokes. Bij de vulling van een hoogoven stelt men vast dat er 2000 kg erts en 300 kg cokes voorhanden zijn.

    1. Welke massa ijzer kan hier maximaal worden gevormd?
    2. Welke massa ijzer ontstaat er na een extra toevoeging van 700 kg van het reagens dat onvoldoende aanwezig was en als het rendement van de reactie 89% bedraagt?

  4. Een mengsel van 100.0 g N2 en 24.0 g H2 reageert bij hoge druk en temperatuur tot 28.5 g ammoniakgas (NH3).

    Bereken de procentuele opbrengst.

    Welk reagens en welke stofhoeveelheid ervan is er in overmaat?

     

  5. Voor de neutralisatie van 2.50 g van een fosforzuuroplossing heeft men exact 25.0 ml 0.500 mol/l NaOH oplossing nodig.

    De reactievergelijking is:

                H3PO4  +  2  NaOH  –>  Na2HPO4  +  2  H2O

    Bereken het massaprocent van de zuuroplossing.

    Bereken de molaire concentratie van de H3PO4 oplossing indien de dichtheid hiervan 1.25 g/ml bedraagt.

  6. Door een wasfles die 250 g van een 40.0% KOH oplossing bevat, wordt bij 21°C en 1010 102 Pa, 12.5 liter van een gasmengsel geleid dat voor 60% uit CO2 bestaat.

    Het CO2  gas reageert volledig met het KOH volgens de reactie:

                2 KOH  +  CO2   –>  K2CO3  + H2O

     

    1. Wat is het massaprocent van de KOH oplossing na de reactie?
    2. Welk volume van het gasmengsel kan, bij dezelfde omstandigheden, nog verder CO2-vrij worden gemaakt?
  7. Gegeven: 250 ml 1.60 mol/l Na2CO3 oplossing met een dichtheid van 1.144 g/ml

    1. Wat is het massaprocent van de oplossing?
    2. Welk volume water werd gebruikt om deze oplossing te bereiden?
    3. Hoeveel H2SO4 kan ermee reageren? Bereken het volume van een 10% H2SO4 oplossing (dichtheid 1.068 g/ml) dat hiervoor gebruikt kan worden.
  8. Men laat magnesium (Mg) reageren met waterstofchloride (HCl). Er ontstaat daarbij magnesiumdichloride (MgCl2) en diwaterstof (H2). Schrijf de reactievergelijking.
    Men laat 36 g Mg wegreageren.  Hoeveel mol waterstofgas wordt er dan gevormd?
  9. Hoeveel mol magnesiumoxide (MgO) worden er gevormd als men 3 mol magnesium (Mg) laat reageren met voldoende dizuurstof (O2)?
  10. Water ontbindt (onder invloed van een elektrische stroom) in diwaterstof (H2) en dizuurstof. Hoeveel gram dizuurstof (O2) ontstaat er bij de ontbinding van 3 g water (H2O)?
  11. Bij de zogenaamde thermietreactie wordt vast Fe2O3 via een reactie met aluminium omgezet tot Al2O3 en ijzer. Veronderstel dat  je beschikt over 25,0 g aluminium en 85,0 g di-ijzertrioxide.  Hoeveel gram ijzer kan je maximaal bekomen in deze omstandigheden?
  12. PCl3 reageert met water en vormt daarbij waterstoffosfiet (H3PO3) en HCl. Hoeveel waterstoffosfiet kan er maximaal gevormd worden als je vertrekt van 13,5 g water?
  13. Bij de verbranding van 1,8 g koolstof ontstaat een mengsel van 2,8 g koolstofmono-oxide en 2,2 g Er is geen koolstof over. Hoeveel mol dizuurstof heeft bij deze verbranding gereageerd met koolstof?
  14. Een hoeveelheid calciumcarbonaat wordt verhit. Daarbij treedt een reactie op waarvan hieronder de reactievergelijking gegeven is:

          CaCO3  –>  CaO  + CO2

    Er ontstaat 0,66 g CO2.  Bereken hoeveel mol calciumcarbonaat er ontleed is.

 15. Hendrik wil weten hoeveel gram calciumcarbonaat (CaCO3) in een tube tandpasta van 80,0 g Hij laat daarom 10,0 g tandpasta reageren met een overmaat verdund zwavelzuur.  De volgende reactie treedt op:        CaCO3  +  2 H+ –>à  Ca2+  +  CO2  +  H2O

Bij deze reactie ontstaat 0,720 g koolstofdioxide.  Bereken hoeveel gram calciumcarbonaat in die tube tandpasta voorkomt.

16. Wim verhit een blokje koper. Na enige tijd is het blokje bedekt met een laagje koperoxide.   Voor het verhitten had het blokje koper een massa van 74,20 g.  Het blokje met het laagje koperoxide erop heeft een massa van 75,40 g.  Bereken hoeveel gram koper gereageerd heeft met dizuurstof.

17. Als je kaliumoxide in water.doet, ontstaat er kaliloog (kaliumhydroxide-oplossing).    Hoeveel gram kaliumoxide moet je in 1,0 liter water doen om 0,25 molair kaliloog te    maken.

18.Calcium reageert met water onder vorming van kalkwater en waterstofgas. Hoeveel liter   waterstofgas zal ontstaan als je 500 mg calcium-stukjes in ruim voldoende water doet?(t = 18°C)

19. Hoeveel liter zwaveldioxide-gas kan ontstaan als 3,2 gram zwavel verbrandt ? (t=18°C)

20. Als je vast tin(ll)oxide met zwavelzuur-oplossing mengt, ontstaat er een oplossing van tin(ll)sulfaat. Hoeveel ml zwavelzuuroplossing 0,10 mol/l heb je tenminste nodig om 12 gram tin(ll)oxide te laten reageren?

21. Kristalsoda reageert met zoutzuur, daarbij ontstaat koolstofdioxide. Hoeveel liter  koolstofdioxide kan ontstaan als een overmaat zoutzuur met 15,0 gram kristalsoda (dus  met kristalwater) reageert ? (n.o)

22. Waterstofperoxide kan ontleden (met bruinsteen-katalysator) in water en zuurstof. Als je  20 gram waterstofperoxide-oplossing (3 massa% waterstofperoxide) laat ontleden, hoeveel liter zuurstof ontstaat dan (t=0°C)?

23. De vaste brandstofraketten van een spaceshuttle werken op een mengsel van  ammoniumperchloraat ( NH4CIO4) en aluminiumpoeder. Bij de reactie ontstaan stikstofgas, waterdamp, aluminiumchloride en wolken aluminiumoxide. Bereken hoeveel    kilogram ammoniumperchloraat er nodig is om 1,0 kilo aluminium te laten reageren.

24. De motor van de spaceshuttle zelf werkt op vloeibare waterstof en vloeibare zuurstof. Hoeveel liter waterdamp kan ontstaan bij een temperatuur van 2300°C (en gewone druk)      uit 1,0 kg vloeibare waterstof en de bijbehorende hoeveelheid zuurstof.

25. Natriumthiosulfaat-oplossing (Na2S2O3) reageert met zoutzuur, er ontstaan zwavel, zwaveldioxide, water en keukenzout. Hoeveel mgram zwavel ontstaat als 20 ml 0,10 molair natriumthiosulfaat reageert met voldoende zoutzuur

26. Magnesium met zwavelzuur-oplossing. Hoeveel gram magnesium kan reageren met 25 ml     zwavelzuur 1,25 molair

27. Bij het koken van hard water (een oplossing van calciumwaterstofcarbonaat) kan  calciumcarbonaat ontstaan. Hoeveel gram calciumcarbonaat kan ontstaan bij verhitten van 10 liter water die 50 mgram calciumwaterstofcarbonaat per liter bevat?

28. Bij de thermolyse van zilveroxide ontstaat zilver. Hoeveel mgram zilver ontstaat bij  thermolyse van 27,5 mgram zilveroxide ?

29. Hoeveel gram water ontstaat bij verbranding van 2,50 gram butaan-1-ol ?

30. Een keukenzoutoplossing heeft een dichtheid van 1.016 kg/l. 6.4 g ervan worden  drooggedampt. Er blijft 1.60 g NaCl over.

      Bereken de onderstaande grootheden:

  1. massa% NaCl
  2. ppm NaCl
  3. massa H2O
  4. massaprocent water
  5. totaal volume
  6. massaconcentratie NaCl
  7. Hoeveelheid NaCl
  8. Concentratie NaCl

31. Hoeveel glazen bier (0.25 l; V% (alcohol) = 5.0%) mag men maximaal verbruiken om een    alcoholgehalte van 0.5 pro mille niet te overschrijden? Stel dat voor een persoon van 80 kg    het volume bloed in zijn lichaam 5.0 l bedraagt en de hoeveelheid lichaamsvloeistof 56 l.

32. Welk volume water moet men bij 2000 ml HCl-oplossing (c = 0.250 mol/l) voegen om een HCl-oplossing met een concentratie van 0.110 mol/l te verkrijgen?

33. Een wasfles bevat 250 g H2SO4-oplossing (m% = 96.0). Na langdurig door leiden van     vochtige lucht is het massaprocent geslonken tot 75.0%. Welke massa water is er  geabsorbeerd?

34. Men laat 5.60 g zilver volgens onderstaande reactievergelijking reageren met een 6.50 mol/l HNO3-oplossing.

Reactievergelijking:

            3 Ag + 4 HNO3 à 3 AgNO3 + NO + 2 H2O

Welk volume zuuroplossing is hiervoor nodig?

Welke massa AgNO3 kan men alzo verkrijgen?

Welk volume NO (p = 1010 hPa, t = 32°C) wordt hierbij vrijgemaakt?

35. Chloorgas kan bereid worden door reactie van zoutzuur met bruinsteen:

            4 HCl + MnO2 –>  MnCl2  +  Cl2  +  2 H2O

Hoeveel liter chloorgas kan men op die manier onder n.o. bereiden uit 500 g bruinsteen dat slechts 92,2% mangaandioxide bevat?Hoeveel liter water kan men onder n.o. met dat chloorgas verzadigen? (in 1 l water van 0°C lost 14,6 g dichloor op onder normale druk).

36. In water wordt 16,0 g onzuiver koperdichloride opgelost. Door totale elektrolyse verkrijgt  men daaruit 0,345 g koper. Bereken het percentage koperdichloride in het oorspronkelijk   mengsel, veronderstellend dat de onzuiverheden geen koper bevatten.

37. Hoeveel ml geconcentreerd zoutzuur (dichtheid is 1,19 g/ml; 38,0 massaprocent waterstofchloride ) moet je afmeten om 15,0 l van een 0,0200 mol/l waterstofchloride-oplossing te maken?

38. Onder een elektronenmicroscoop blijkt een plantenvirus te bestaan uit cilindervormige deeltjes met een diameter van 150 10-10 m en een lengte van 300 10-9 m. De dichtheid van  het virus is 1,25 g/cm³. Hoe groot is de molecuulmassa van het virus?

39. Een laborante maakt 4,36 l ammoniakgas (n.o.) door reactie van 12,4 g   ammoniumchloride met een overmaat natriumhydroxide. Bereken het rendement van de reactie

40. Hoeveel gram zink moet reageren met een overmaat verdund zwavelzuur om onder n.o.      500 ml waterstofgas te verkrijgen?

41. Hoeveel liter zuurstofgas kan onder n.o. door elektrolyse vrijkomen uit 100 ml water?

42. Je hebt 3,00 l nodig van een oplossing die 1 massa% H2SO4 bevat. Hoe bereid je dat  uitgaande van geconcentreerd H2SO4 (18.0 mol/l)?

43. Hoeveel kg NaCl is er aanwezig in 2,50 kg van een mengsel van NaCl-KCl met 16,2 massa% NaCl?

44. Welk volume 0,120 mol/l H2SO4 moet aan 500 ml 0,0900 mol/l H2SO4 toegevoegd worden om  een oplossing van 0,100 mol/l H2SO4 te verkrijgen?

45. Hoe bereid je 200 ml 5 mol/l H2SO4 met behulp van 18 mol/l H2SO4?

46. Hoeveel gram NaCl verkrijg je door indampen van 600 ml van een 0,500 mol/l oplossing?

47. Hoeveel gram salpeterzuur bevat 20 g van een 15,7 mol/l salpeterzuuroplossing als de    dichtheid = 1,42 kg/dm³?

48. Wat is het massaprocent van een verzadigde oplossing van CuSO4 (oplosbaarheid in de heersende omstandigheden is 20,7 g per 100 ml water)

49. Hoe ga je te werk om 500 ml 5,00 10-3 mol/l K2SO4 te bereiden? Welke concentratie hebben de ionen in die oplossing?

50. Gehydrateerde natriumthiosulfaatkristallen (Na2S2O3.xH2O) bevatten 36,3% water.    Bepaal het aantal watermoleculen per formule-eenheid.

51. Een oxide van stikstof bevat 30.4% stikstof. Bepaal de verhoudingsformule

52. Hoeveel ml 0,12 mol/l HCl-oplossing is nodig voor de neutralisatie van 0,044 g KOH? 

53. Men voegt 15,20 ml NaOH 0,200 mol/l bij 17,40 ml H Cl 0,190 mol/l. Reageert die     oplossing neutraal, zuur of basisch? Verklaar je antwoord.

54. Hoeveel ml van een 0,105 mol/l HCl-oplossing is er nodig voor de neutralisatie van 20,00  ml NaOH 0,095 mol/l?

55. 25,00 ml 0,050 mol/l HCl-oplossing wordt geneutraliseerd met 42,40 ml Ca(OH)2–    oplossing. Bereken de concentratie van de calciumdihydroxide-oplossing in molaire    concentratie en in g/l.

56. Men behandelt een aluminiumplaatje met 50,0 mL van een warme en geconcentreerde  H2SO4-oplossing (dichtheid = 1,65 g/mL ; 73,8 massa-%). Hoeveel liter SO2(gas) wordt gevormd, gemeten bij 25,0 °C en 1005 mbar?    

  2 Al(vast) + 6 H2SO4(aq.) –> Al2(SO4)3(aq.) + 3 SO2(gas)+ 6 H2O

57. Een stuk onzuiver zink van 50,0 g reageert met 129,0 cm3 zoutzuur (HCl-oplossing)      (dichtheid = 1,18 g/ cm3 ; 35,0 massa-%). Bereken het % zuiver zink in het stuk.   

58. Hoeveel massa-% CaCO3 bevat een stukje marmer als bij 25,0 °C en 1,013 atm 900,0 mL  CO2(gas) ontstaan door inwerken van een overmaat HCl op 5,0 g van dit marmer?

59.Welke zal de concentratie (mol/L) zijn van een azijnzuuroplossing, die we verkrijgen als  80,0 mL 3,5 mol/L azijnzuuroplossing gemengd wordt met 50,0 mL 2,5 mol/L azijnzuuroplossing?

60. Hoe ga je te werk om 200 mL te bereiden van 2,5.10-2 mol/L Na2S2O3.5 H2O-    oplossing?

61. Een gasmengsel bestaande uit 40,0 g O2 en 40,0 g He heeft een totale druk van 0,9 atm. Bereken de partieeldruk van het zuurstofgas.

62. Op een fles mineraalwater staat voor de concentratie aan Ca2+-ionen: 202 mg/l. Reken dit om naar mol/l.

63. Hoeveel gram (NH4)3PO4 moet je afwegen om 0,2 mol te hebben?

 

 

 

Zoektermen

Een UCLL project

logo lerarenopleidinglogo UCLLlogo Vakdidactieklogo Art of Teaching

Partners

logo covalent

translate »