Hoofdstuk 10 – Film oefenvideo’s

Neerslag- en gasontwikkelingsreacties

Oefenivideo's olympiades, ingangsexamens....
  1. Bij het mengen van welke van volgende waterige zoutoplossingen ontstaat zeker GEEN neerslag?

 

2. De grafiek geeft de oplosbaarheid (in g/100 g H2O) van een aantal zouten weer in functie van de temperatuur.

 Bij welke temperatuur bevat een verzadigde oplossing van ammoniumchloride ongeveer 43 g zout per 75 g water?

3. Een laborant bereidt twee mengsels, ieder met een volume van 100 ml. Mengsel 1 bevat een kleine hoeveelheid (NH4)2SO4 in water, mengsel 2 een kleine hoeveelheid NaI in water. Wat gebeurt er bij de bereiding van beide mengsels en wat gebeurt er als beide mengsels worden samengevoegd?

4. Wat gebeurt er bij het samenvoegen van een oplossing van kaliumhydroxide en een oplossing van koper(II)nitraat bij kamertemperatuur?

Eigen oefenvideo's
  1. Neerslagreacties voorstellen

    1. Schrijf de globale deeltjesreactie, de essentiële deeltjesreactie en de reactievergelijking (stoffenvergelijking) van:

                calciumhydroxide + triwaterstoffosfaat

     

    Oplosbaarheidsproduct en oplosbaarheid

    1. Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ag2CrO4 als de oplosbaarheid 0,0250 g/l is.
    2. Bereken het oplosbaarheidsproduct van Ag3PO4 als de oplosbaarheid 1,78 10-2 g/l is.
    3. Bereken hoeveel de [Cl] moet zijn om een neerslag van AgCl te verkrijgen als  [Ag+] = 4,00 10-8 mol/l is en Ks = 2,00 10-10
    4. Bereken de oplosbaarheid in g/l van Zn3(PO4)2 als Ks= 1,00 10-32.
    5. Men voegt 750 ml 4.00 10-3 mol/l Ce(NO3)3 bij 300 ml 2.00 10-2 mol/l KIO3. Zal er Ce(IO3)3 Ks = 1.9 10-10 in het mengsel neerslaan? Verklaar
    6. Bereken voor elk paar zouten welk zout het minst oplosbaar is: Ag2CO3 (Ks= 8.1 10-12) of Mn(OH)2 met Ks = 2 10-13
    7. Bereken voor elk paar zouten welk zout het minst oplosbaar is:  Ca3(PO4)2 Ks= 1.3 10-32 of FePO4 met Ks: 1.0 10-22
    8. 1000 ml van een oplossing bevat 0.10 mol Cl en 0.10 mol CrO42-. Aan die oplossing wordt geleidelijk aan vast AgNO3 waarvan het volume verwaarloosd mag worden, al roerend toegevoegd. Ks AgCl: 1.7 10-10  en Ks (Ag2CrO4) = 1.9 10-12
        1. welk zilverzout slaat het eerst neer?
        2. hoe groot is de chloride-ionenconcentratie wanneer het Ag2CrO4 begint neer te slaan?
        3. Hoeveel gram CrO42- ionen blijft er over als de oplossing 10.8 g Ag1+ ionen bevat?
    9. Bereken de oplosbaarheid in water, uitgedrukt in mol/L en in g/L, van volgende zouten:  Ca(OH)2

    10. Bereken de oplosbaarheid in water, uitgedrukt in mol/L en in g/L, van volgende zouten:  Ag2CrO4

    11. Bereken de oplosbaarheid in water, uitgedrukt in mol/L en in g/L, van volgende zouten: Al(OH)3

    12. Van welk zout is de oplosbaarheid in water (uitgedrukt in mol/L) het grootst?  BaSO4 of BaCO3

    13. Van welk zout is de oplosbaarheid in water (uitgedrukt in mol/L) het grootst? Ag2SOof MgCO3

    14. Ontstaat er een neerslag bij samenvoegen van: 200 mL AgNO3  1,2.104 mol/L en 300 mL KCl 2,4.10-3 mol/L ?

    15. Ontstaat er een neerslag bij samenvoegen van: 1 L Ba(NO3)2 10-2 mol/L  en  20 mg Na2SO4 ?

    16. Ontstaat er een neerslag bij samenvoegen van: 1 L HCl 10-2 mol/L  en  100 mL AgNO3 10-3 mol/L ?

    17. Bereken het oplosbaarheidsproduct van volgende zouten: BaSO4 S=9,5.10-6 mol/L

    18. Bereken het oplosbaarheidsproduct van volgende zouten:  PbBr2 S=4,257 g/L

    19. Bereken het oplosbaarheidsproduct van volgende zouten: Fe(OH)3 S=4,49.10-10 mol/L

    20. Bereken de oplosbaarheid van AgCl in een Cl-oplossing met concentratie 3 mol/L.

    21. Bereken de oplosbaarheid van Mg(OH)2 in een buffer met pH = 10.

    22. Bismutsulfide Bi2S3 heeft bij 25°C een oplosbaarheid van 1.0 10-15 mol/l. Bereken het oplosbaarheidsproduct van dat zout.
    23. Koper(II)jodaat heeft bij 25°C een oplosbaarheidsproduct van, 1.4 10-7. Bereken de oplosbaarheid van dat zout.

     

     

Zoektermen

Een UCLL project

logo lerarenopleidinglogo UCLLlogo Vakdidactieklogo Art of Teaching

Partners

logo covalent

translate »